Hypermobiliteit bij kinderen: hoe betrouwbaar is de Beighton-score?
Informatie verzonden op 29-11-2025

ABCIG Fasciale kinesitherapie biedt u een samenvatting aan van een recente meta-analyse waarin de betrouwbaarheid van de Beighton-score bij kinderen wordt geëvalueerd. Deze studie heeft tot doel de prevalentie van Beighton-scores bij kinderen wereldwijd te bepalen om een aanbeveling te doen voor het vaststellen van de Beighton-score-cut-off voor het identificeren van gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit bij kinderen.
![]() |
Auteur:Paul Sercu heeft deze samenvatting geschreven van de meta-analyse die in PubMed is gepubliceerd door prof. Mark Scheper, met wie hij nauw samenwerkt. |
Samenvatting meta-analyse door Paul Sercu
Gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit, gedefinieerd als een toegenomen bewegingsuitslag van één of meerdere gewrichten voorbij het normale fysiologische bereik, is een frequent voorkomend fenomeen bij zowel kinderen als volwassenen. Binnen de klinische praktijk van de kinesitherapie vormt hypermobiliteit een tot nu toe miskend maar belangrijk aandachtspunt, aangezien zij zowel asymptomatisch als symptomatisch kan verlopen en gepaard kan gaan met uiteenlopende musculoskeletale klachten.
Hypermobiliteitsspectrumstoornis (Hypermobility Spectrum Disorder, HSD) omvat een groep van aandoeningen met een brede variabiliteit in presentatie en ernst. In de meest uitgesproken gevallen is sprake van erfelijke bindweefselaandoeningen zoals het Ehlers-Danlos-syndroom, het Marfan-syndroom en Osteogenesis Imperfecta. Anderzijds kan hypermobiliteit ook volledig symptoomloos blijven of zelfs functionele voordelen bieden, bijvoorbeeld bij dansers en gymnasten. Deze klinische diversiteit maakt het fenomeen complex en diagnostisch uitdagend binnen de revalidatiegeneeskunde en kinesitherapie.
De Beighton-score wordt internationaal beschouwd als het standaardinstrument voor het objectiveren van gegeneraliseerde hypermobiliteit. Deze testbatterij is eenvoudig toepasbaar, betrouwbaar en wijdverspreid in zowel klinische als onderzoekscontexten. De prevalentie van hypermobiliteit ligt hoger bij kinderen dan bij volwassenen, wat deels verklaard kan worden door leeftijdsgebonden veranderingen in bindweefsel en spiercontrole. De grenswaarde die gebruikt wordt om hypermobiliteit bij kinderen te definiëren, werd echter voornamelijk vastgesteld op basis van expertconsensus en mist een robuuste statistische onderbouwing.
De hier gepresenteerde meta-analyse beoogt meer duidelijkheid te scheppen omtrent deze diagnostische criteria en kan bijdragen aan een verfijning van de klinische besluitvorming binnen de kinesitherapeutische praktijk.
Inleiding
De prevalentie van hypermobiliteit varieert sterk tussen studies en wordt beïnvloed door leeftijd, puberteit, geslacht en etniciteit. Het meest gebruikte screeningsinstrument is de Beighton-score, een negenpuntschaal om gewrichtslaxiteit en -hypermobiliteit te meten. Deze is gebaseerd op 5 tests (één punt per succesvolle test): het omhoog buigen van de pinken links en rechts (2 pnt), het aanraken van de onderarm met de duim links en rechts (2 pnt), het overstrekken van de ellebogen (2 pnt) en knieën (2 pnt), en de vooroverbuiging (1 pnt). De test kan zo een score van maximaal 9 opleveren en helpt bij het identificeren van gegeneraliseerde hypermobiliteit, wat eventueel kan duiden op aandoeningen zoals het Ehlers-Danlos-syndroom. Ze is wereldwijd bekend en gemakkelijk uit te voeren, maar heeft ook beperkingen: de focus ligt vooral op de bovenste ledematen (echter zonder het schoudergewricht te testen) en gecombineerde bewegingen. Traditioneel wordt een grenswaarde van 4 of 5 op 9 gebruikt om gegeneraliseerde hypermobiliteit aan te duiden, maar deze drempel is nooit statistisch onderbouwd. Nieuwe inzichten tonen aan dat deze grens te laag ligt en tot overdiagnose leidt.
Deze studie heeft tot doel de prevalentie van Beighton-scores bij kinderen wereldwijd te bepalen om een aanbeveling te doen voor het vaststellen van de Beighton-score-cut-off voor het identificeren van gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit bij kinderen. Waar mogelijk had deze studie tot doel de invloed van leeftijd, geslacht, puberale status en etniciteit op de prevalentie van gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit bij kinderen en adolescenten in aanmerking te nemen.
Methodologie
De onderzoekers voerden een systematische review en meta-analyse uit volgens de PRISMA-richtlijnen. Databases zoals AMED, OVID Medline, Embase en CINAHL werden tot april 2024 doorzocht. Alleen studies met kinderen tot 18 jaar uit de algemene bevolking werden opgenomen. De uiteindelijke analyse omvatte 37 studies met gegevens van 28.868 kinderen uit verschillende wereldregio’s. De prevalentie van hypermobiliteit werd berekend voor Beighton-scores ≥4, ≥5, ≥6 en ≥7 punten.
Resultaten
De resultaten toonden aan dat hypermobiliteit bij gebruik van lage drempels (4 of 5 punten) zeer vaak voorkomt: tot 21% van de meisjes en 9% van de jongens werden als hypermobiel beschouwd. Dit wijst erop dat zulke lage waarden eerder binnen de normale variatie vallen dan op een afwijking. Een Beighton-score van 6 of hoger blijkt beter overeen te komen met de bovenste 2,5% van de populatie en vormt dus een betrouwbaardere grens voor gegeneraliseerde hypermobiliteit. Voor meisjes kan zelfs een score van 7 of hoger relevant zijn.
Discussie
Deze grootschalige meta-analyse levert het eerste wereldwijde overzicht van Beighton-scores bij kinderen. De bevindingen ondersteunen het verlaten van de klassieke grenswaarden van 4 of 5, omdat deze leiden tot overdiagnose. De Beighton-score blijft ondanks haar eenvoud een nuttig en goedkoop instrument, mits beoordeeld door getrainde clinici. Hypermobiliteit is op zich geen ziekte, maar een normaal variabel kenmerk van de kindertijd. Bij klachten moeten aanvullende testen pas overwogen worden bij scores van 6 of hoger.
Conclusie
Deze datagestuurde analyse biedt clinici en onderzoekers een duidelijk richtpunt voor het beoordelen van hypermobiliteit bij kinderen. Hypermobiliteit komt wereldwijd veel voor, vooral bij meisjes. Een Beighton-score van 6/9 of hoger is de meest geschikte drempel om gegeneraliseerde hypermobiliteit te identificeren. Door deze hogere grens te hanteren, kunnen overdiagnoses en onnodige onderzoeken worden vermeden, en kunnen clinici ouders geruststellen dat soepelheid bij kinderen meestal normaal is.
Cylie M., Williams; James J Welch, Mark Scheper, Louise Tofts, Verity Pacey. (2024). Variability of joint hypermobility in children: a meta‑analytic approach. European Journal of Pediatrics (2024) 183:3517–3529 https://doi.org/10.1007/s00431-024-05621-4







_200x111.jpg)






